Contact

Deze site is het resultaat van de voorliefde en interesse voor leren van de webmaster, Frank Leoné, in combinatie met de internet en multimedia vaardigheden van Marco Leoné, drijvende kracht achter het bedrijf LEONÉ.

Het beheer van Like2Learn, LEONÉ internet en multimedia, is te bereiken op sitebeheer@leone.nl. Meer informatie over dit jonge en actieve bedrijf is te vinden op www.leone.nl.

Meer informatie over de webmaster is hieronder weergegeven.

Frank Leoné is geboren op 17 november 1984 in Hengelo (o). Op het moment is Frank student aan de Radboud Universiteit Nijmegen , waar hij een Bachelor heeft afgerond in de Biologische en Cognitieve Psychologie, alsook in Cognitive Psychological Research en Cognitive Engineering, beide richtingen van Kunstmatige Intelligentie. Tevens is hij actief voor de studievereniging CognAC. Zo is hij voorzitter van de vereniging geweest. Als voorzitter heeft hij ook de StudieCommissie opgericht, een commissie die activiteiten organiseert met betrekking tot de studie en het studeren, waarvan hij ook twee jaar voorzitter is geweest. Naast deze activiteiten voor de studievereniging, is hij voorzitter van de studentenraad van de faculteit der Sociale Wetenschappen geweest. Ook heeft hij afgelopen jaar het Honoursprogramma afgerond, een programma aan de Radboud Universiteit bedoeld voor studenten die graag hun horizon verbreden.

Op het moment is hij bezig met twee masters, namelijk Cognitive Neuroscience en Kunstmatige Intelligentie. Binnen de eerste master, die zich bezig houdt met de werking van het brein, volgt hij twee richtingen, namelijk Perception & Action en Neurocognition. Binnen Kunstmatige Intelligentie doet hij dezelfde richtingen als waarin hij de bachelor heeft gedaan. Het huidige jaar staat echter bovenal in het teken van zijn assessorschap: Frank is op het moment studentassessor binnen het bestuur van de Faculteit der Sociale Wetenschappen en probeert als zodanig zo goed mogelijik de belangen van alle studenten van de faculteit te behartigen.

Hoe Frank de lerende wereld ziet en hoe hij zijn toekomst voor zich ziet wordt waarschijnlijk het beste verwoord in een essay voor het eerder genoemde Honoursprogramma, voor de cursus 'Hart van de Wetenschap', waarvan de tekst hieronder is opgenomen.

Leren is Beleven

door F.T.M. Leoné

Een klein konijntje hopt vrolijk rond aan de voet van een boom. Overal om zich heen ziet hij prachtige natuur en daartussen bruist het van het leven: andere konijntjes op de grond, eekhoorntjes in de bomen, een mierenkolonie die druk in de weer is. Het konijntje eet tussen deze pracht en praal rustig zijn maal. Langzaam wordt hij zich bewust van geritsel achter de boom. Hij spitst zijn oren. Plots schiet er een wolf van achter de boom vandaan! Het konijntje schiet vliegensvlug zijn holletje in, maar niet voordat hij de kaken van de wolf met grote kracht dicht ziet slaan daar waar hij even daarvoor nog stond. Het beeld van de kaken van de wolf, waar het kwijl in grote druppels uitliep, zou hij nooit meer vergeten. En het geritsel wat bijna het einde van zijn leven inleidde zou hem de rest van zijn leven zo snel mogelijk naar zijn holletje laten vluchten. Hij had geleerd.

Op deze wijze leren alle lerende organismen in de natuur. Leren is voor dieren dan ook van vitaal belang voor de overleving. Zonder hiervan te leren zou het leven van het konijn waarschijnlijk bij een volgende confrontatie alsnog vroegtijdig ten einde zijn.

Ook mensen zijn dieren, doch in tegenstelling tot dieren kiezen wij voor een groot deel zelf uit wat we leren. Sterker nog, we zoeken het zelfs op. Onze hele leven door leren wij, doch het enige wat wij amper leren is het leren zelf. Het vrijwillige leren wat wij doen bestaat veelal uit het hardnekkig de aandacht richten op de zwart-witte, minst aantrekkelijke stimulus in de omgeving, het gemiddelde leerboek, terwijl de rest van de wereld bruist van de kleuren en het leven. Geen wonder dat leren niet wordt gezien als leuk. Doch dat kan het zeker wel zijn. Wat mij betreft is leren niet alleen leuk, het is ook een uitdaging en bovenal een interessant wetenschapsgebied. Doch ook dat is iets wat ik heb geleerd.

De confrontatie

Op de middelbare school bestond mijn grootste uitdaging uit het zo min mogelijk doen en toch zo goed mogelijk presteren. Aan het eind van de middelbare school diende er een studiekeuzetest aan te pas te komen om tot een studiekeuze te komen. De test bevestigde vooral dat ik breed geïnteresseerd ben, met Psychologie als eerste keus. Geïnteresseerd in mensen en diens persoonlijkheden en aangezien de studiekeuzetest de studie ook aanbevool, begon ik dan ook aan deze studie. En daar, op de universiteit, hoopte ik de ware uitdaging te vinden.

Vol goede moed en motivatie begon ik. De uitdaging waar ik op had gehoopt vond ik echter niet en al snel koos ik ervoor Kunstmatige Intelligentie er bij te gaan doen. Met deze combinatie van studies, aangevuld met vakken bij Informatica, had ik het gevoel dat ik een brede opleiding genoot en zo mijn brede interesses bevredigd werden.

Maar deze combinatie bracht mij meer: ik werd geconfronteerd met verschillende werelden naast elkaar. Enerzijds de studie Psychologie met diens grote aantal studenten en anderzijds de kleinschaligheid van Kunstmatige Intelligentie. En dat was niet het enige verschil. Ook het verschil tussen een gammawetenschap, Psychologie, en betawetenschappen, Kunstmatige Intelligentie ten dele en de vakken bij Informatica, bleken levensgroot. Gecombineerd met het feit dat ik in huis woonde met drie totaal verschillende studenten, respectievelijk van natuurkunde, scheikunde en bestuurskunde, zorgde voor de ideale voedingsbodem voor interdisciplinariteit. En niet alleen dat, het zorgde er ook voor dat mij grote verschillen opvielen in manieren van onderwijzen, studielast, maar bovenal in de manier van leren.

Want waar de ene student gedreven lijkt door een continue onzekerheid of hij of zij de stof wel goed genoeg beheerst, leest een ander de stof een keer door en denkt het daarmee te kennen. En waar de ene student vooral vertrouwt op zijn of haar eigen kunnen, voelt een andere student zich compleet afhankelijk van datgene wat de docent hem of haar in hapklare brokken presenteert. Nog belangrijker: waar de ene student studeren ziet als een noodzakelijk kwaad waar je zo min mogelijk tijd aan kwijt dient te zijn, interesseren andere studenten zich oprecht in hun studie en gaan ook de gesprekken buiten de universiteit veelal over de studie. Maar niet alleen de studenten, ook de studies verschillen vanzelfsprekend hemelsbreed, wat mij ook steeds meer opviel. Deze contrasten, in aanbod vanuit de studie en in afname door op verschillende manieren lerende studenten, verbaasden mij in grote mate.

Wat uiteindelijk het vuur in mij aanstak was een oud boek van mijn vader, 'Superstudie' (Ostrander, Schroeder en Ostrander, 1979) genaamd, waarin wordt verteld over een revolutionaire manier van studeren. Deze manier houdt in dat je enkel passief ligt te luisteren, terwijl er muziek wordt afgespeeld en op een bepaald ritme het te leren materiaal wordt gepresenteerd. De resultaten van de methode zijn volgens het boek erg goed, wat me nog verder deed nadenken over manieren van studeren. Het feit dat deze methode zo compleet anders is dan hoe de meeste mensen normaal leren, opende mijn ogen dat leren nog niet zo vanzelfsprekend is.

Gecombineerd met de vele contrasten aanwezig om mij heen werd ik geconfronteerd met m'n eigen mogelijkheden en luiheid van weleer. Welke 'soort' afnemer wilde ik zelf zijn? Het zette mij aan om alles uit mezelf te halen wat er in zit. De beste manier om dat te bereiken leek mij me te verdiepen in het leren zelf. Ik realiseerde mij namelijk dat er over leren veel te leren is.

De verdieping

Binnen en buiten mijn studies ging ik daarom op zoek naar informatie over alle facetten van leren. Ondertussen probeerde ik de perspectieven te combineren tot een geheel.

Kennis over conditioneren zoog ik bijvoorbeeld op als een spons. Bij conditioneren worden er onder invloed van een evolutionair relevante emotioneel geladen stimulus associaties en gedragingen geleerd. Associaties zijn verbanden tussen stimuli. Een voorbeeld van een associatie die het konijntje in de inleiding ontwikkelt is die tussen het geritsel en het naderen van een wolf. Het gedrag wat het konijntje afleerde was het al te onbekommerd eten. In beide situaties was de wolf de emotioneel geladen stimulus. Kennis over conditioneren brachten mij tot de conclusie dat leren, en meer specifiek conditioneren, overal is. Niet enkel op de instituten die speciaal daarvoor bedoeld zijn, zoals onzer eigen universiteit, maar ook in het dagelijks leven.

Naast de kennis over conditioneren die ik vanuit Psychologie mee kreeg bracht de Kunstmatige Intelligentie mij het inzicht dat het menselijk brein compleet kwantificeerbaar is. Het brein bestaat tenslotte enkel uit vaste stof en vaste stof is uit te drukken in getallen. Deze getallen kunnen in de Kunstmatige Intelligentie vervolgens gebruikt worden om modellen te maken van het brein. Dus ook het leren wat gebeurt in een brein is te kwantificeren, wat goed duidelijk werd toen ik mijn eerste kennis op deed van Neurale Netwerken. Dit zijn netwerken van artificiële neuronen, waarbij elke verbinding een bepaalde waarde heeft. De waarde geeft de mate van associatie aan. Deze netwerken kunnen bijna alles leren. Dat zo'n simpel concept zo krachtig is was een grote openbaring.

En niet alleen is het opzienbarend dat computers kunnen leren, het doet ook af aan de bijzonderheid van de mens zelf. Want ons leervermogen is één van de eigenschappen waar we als mensen bijzonder trots op zijn. Als een simpel computerprogramma dit op sommige fronten al overtreft, hoe bijzonder zijn wij dan nog? Ook het feit dat steeds meer eigenschappen van de mens gelokaliseerd kunnen worden in het brein maakte de bijzonderheid van de mens en het bestaan van diens geest nog onaannemelijker. Filosofische kennis over het lichaam-geest probleem en de Turing Machine bevestigden dit vermoeden enkel, waardoor ik tot de conclusie kwam dat mensen mogelijk heel veel kunnen leren van andere dieren. Zeker waar het leren betreft, waarbij simpele principes als conditioneren vaak over het hoofd gezien lijken te worden. En niet enkel bij studeren, maar zelfs bij klinische toepassingen werd mij duidelijk dat het loont om ons als mensen niet verheven te voelen boven dieren. Mensen belonen gebruiken we in beperkte mate, maar mensen stroomschokken geven om ze iets af te leren, dat stoot de meeste mensen tegen de borst. Maar als je een kind hebt wat gemiddeld enkele duizenden malen per dag zijn of haar hoofd tegen de muur slaat, al vijf jaar lang, zou je er dan niet 12 stroomschokken voor over hebben om hem of haar te genezen (Bucher & Lovaas, 1968)? Juist zulke resultaten, maar ook verwante resultaten met autistische kinderen, delinquenten, moeilijk opvoedbare kinderen en zoiets 'kleins' als effectief studeren (Lieberman, 2000), toonden mij de kracht van conditioneren en hoe een doodzonde het is dat zoiets basaals niet toegepast wordt daar waar het toepasbaar is: bijna overal.

En niet alleen binnen mijn studie probeerde ik alles te weten te komen over leren. Langzaam maar zeker vulde ik mijn boekenplank met vele boeken over dit thema. De eerste hiervan ging over Snellezen (Buzan, 2001), na een verwijzing hiernaar in Superstudie. Snellees-methoden beweren dat een mens kan lezen met snelheden van vele honderden woorden per minuut. Los van de haalbaarheid, waarover later meer, wees dit boek mij er op dat er ook over lezen veel te leren is. En dit bracht me er toe te oefenen en zo zag ik er een uitdaging in, waardoor het lezen op zich al een plezier werd. Hetzelfde beloofde te gaan gebeuren met het leren toen ik, via het boek over Snellezen, in aanraking kwam met Mindmappen (Buzan, 1996). Bij Mindmappen teken je je aantekeningen uit in grote kleurrijke tekeningen, in plaats van het uit te schrijven in tekst. Hierdoor, aldus de boeken hierover, onthoud je het beter, aangezien het menselijk systeem gefocused is op schoonheid en opvallende kleuren. Tevens dient een mindmap een geheel te zijn, zonder onderbroken lijnen, zodat het menselijk cognitief systeem het als één geheel kan onthouden. De laatste vereiste voor een goede mindmap is de categorische ordening, waarbij concepten die met elkaar verbonden zijn bij elkaar horen en concepten die meer in het midden van de tekening staan van een hogere categorie zijn dan concepten die verder aan de buitenkant van de tekening staan. En niet alleen had ik het gevoel dat het werkte, het leren werd ook nog leuker door het tekenen.

Mindmappen en vele van de andere methoden worden gepresenteerd als leren “in harmonie met het brein” en “leren op de natuurlijke manier”. Het klonk voor mij erg logisch dat zo'n manier bestaat. Meer boeken over leren waren het gevolg. Met elk boek en elk stuk opgedane kennis werd het leren op zich een grotere uitdaging: ik vond plezier in het leren leren en daarmee ook in het leren zelf.

De reflectie

Doch werkt het echt? Ik zou geen goede wetenschapper zijn, of kunnen worden, als ik niet kritisch zou reflecteren op al wat ik had geleerd uit de pseudo-wetenschappelijk zelfhulpboeken, zoals ze vaak worden genoemd. Zeker met de kennis die de psychologie mij had gegeven over biases als 'confirmation bias' (zien wat je wilt zien) en 'availability bias' (zien wat toevallig voor handen is) zag ik de noodzaak in om het geleerde kritisch te evalueren. In mijn studie ging ik op zoek naar het leren "in harmonie met het brein" en toetste de methoden aan de wetenschap.

Ik stond al sceptisch tegenover de methode die Superstudie beschreef en de wetenschap gaf mij daarin gelijk. Er zijn onderzoeken gedaan naar de werking van Superstudie (Felix, 1989), waaruit structureel kwam dat het niet werkte. Bepaalde onderdelen ervan schijnen echter wel een positieve invloed te hebben, zoals de muziek en het doen van meditatie- of ontspanningsoefeningen vooraf.

Snellezen sneuvelde ook al snel. De wetenschap had experimenten uitgevoerd waaruit naar voren was gekomen dat met snellezen wel degelijk je begrip afneemt (Just en Carpenter, 1987), terwijl veel van de boeken eerder het tegendeel beweren. Wel werd er bij vermeld dat de tips die, buiten het snellezen zelf, in de snelleesboeken staan waarschijnlijk wel positief werken.

Mijn geloof in Mindmappen werd daarentegen enkel versterkt. Uit onderzoek komt namelijk consistent naar voren dat kleurrijke afbeeldingen beter onthouden worden (Lieberman, 2000). Ook verklaren de Gestaltprincipes waarom een afbeelding die verbonden is als één geheel wordt gezien en daarom ook als één geheel wordt onthouden. Daarbij vormen stimuli die gelijk worden gepresenteerd op eenzelfde plaats automatisch een associatie, welke vervolgens als zodanig wordt opgeslagen. Verder bleek uit onderzoek ook dat een categorische hiërarchische onderverdeling wel degelijk positieve invloed heeft op het leren. Dus daarmee waren alle onderdelen van mindmappen in lijn met de wetenschap, waarmee voor mij, zeker opgeteld bij mijn praktijkervaring, het nut van mindmappen was aangetoond.

Andere methoden die ik uit de boeken had gehaald waren vaak gemakkelijk te verklaren met concepten uit de leerpsychologie en het conditioneren. Vooral geheugentrucs (Lorayne en Lucas, 1996) maken veelal gebruik van associatie. Het beste voorbeeld hiervan is de 'Link', welke gebruikt kan worden om rijen van concepten te onthouden. Bij de Link wordt een associatie bedacht tussen de onderdelen van een lijst, waarbij die associatie het beste zo vreemd mogelijk kan zijn. Want juist door de absurditeit van een associatie is die opvallender en onthoud je hem beter (Lieberman, 2000.

Uiteindelijk werden vele van de principes die ten grondslag liggen aan de leermethoden en trucs geheel of gedeeltelijk bevestigd, alhoewel er amper direct onderzoek is gedaan naar de methoden zelf.

De openbaring

Toen duidelijk werd dat de leermethoden zowel voor mij in de praktijk effectief waren, als grotendeels ondersteund door de huidige stand van wetenschap begon er iets aan mij te knagen. Want als ik dit kan, waarom dan niet anderen? Als leren zo'n belangrijk onderdeel is van ons leven, waarom leren we het dan nooit? Bestaat er misschien echt een natuurlijke manier van leren, “in harmonie met het brein”?

Ik ging me enkel meer verbazen over de manier van leren zoals de meeste mensen die bezigen. De meeste mensen blijven steken bij het lezen en herlezen van het studieboek, mogelijk terwijl ze een samenvatting maken. En wanneer ik dan bij een tentamen hoorde dat mensen zeiden dat het zoveel was dat ze het echt niet konden onthouden, vroeg ik me toch altijd af waarom mensen zich niet verdiepen in het leren zelf en kijken of hun leren misschien efficiënter kan.

Het antwoord op die vraag was bekend op het moment dat ik de vraag stelde: ze weten simpelweg niet dat het anders kan. Weinig mensen krijgen tijdens hun schoolperiode daadwerkelijk mee dat je op verschillende manieren kunt leren. Er wordt vanuit gegaan dat leren maar op één manier kan en dat die gepast is voor iedereen. Maar vanuit mijn persoonlijke interesse, ontsproten uit de combinatie van mijn studies en ontstoken door een oud boek, zette ik hier toch de nodige vraagtekens bij.

Het kwaad zit echter niet alleen in de manier van studeren, maar begint al bij de presentatie van stof in bijvoorbeeld boeken. Auteurs van studieboeken lijken vaak allergisch voor afbeeldingen. Maar als een afbeelding meer zegt dan duizend woorden, waarom schrijven auteurs van lesboeken dan veelal toch die duizend woorden? Niet alleen is de informatie zo heel verspreid beschikbaar, namelijk in duizend aparte woorden in plaats van in één afbeelding, maar ook is het lesboek geen aantrekkelijke stimulus. Alle andere voorwerpen op een gemiddelde studeerkamer hebben meer kleur en aantrekkingskracht dan het gemiddelde lesboek, waardoor de aandacht gemakkelijk wordt afgeleid richting die andere objecten. Als mensen vervolgens de boeken bestuderen lezen ze het veelal enkel, waardoor het lichaam langzaam op stand-by gaat, aangezien het niet actief bezig is. En als ze het geheel samenvatten schrijven ze wederom die vele woorden, welke voor het cognitieve systeem weinig prikkelend zijn. Alles in één kleur, onaantrekkelijk en saai, en dan zijn studenten nog verbaasd dat ze hun aandacht er niet bij kunnen houden.

Er bestaat nog een redding en dat is het conditioneren. Want als je voor het leren een goed cijfer krijgt, brengt dat een positieve emotie teweeg, welke je vervolgens associeert met het leren, waardoor je plezier krijgt in leren. Het probleem is echter dat de tijd tussen het gedrag en de beloning van cruciaal belang is om conditioneren effectief te maken. Dus als een cijfer voor een tentamen, welke mogelijk bekrachtigend of ontkrachtigend kan werken, enkele weken later bekend is, is het conditionerende effect hiervan minimaal. Dus alles wat maar positieve invloed kan hebben op het leren wordt niet toegepast.

Het konijntje heeft het dan een stuk beter. Alles wat hij doet beleeft hij met zijn hele 'ik'. Als hij het geritsel hoort richt zijn hele wezen zich daarop en is die stimulus voor hem de belangrijkste, ondanks alle rijkdom in het bos. Als de wolf vervolgens tevoorschijn komt beleeft zijn hele wezen de heftige emotie angst en volledig geactiveerd neemt hij alles in zich op. Zo weet hij na één keer dat geritsel waarschijnlijk gevaar betekent, dat een wolf mogelijk dat gevaar is en vergeet hij het beeld van de dichtklappende, kwijlende, kaken nooit meer. In één keer heeft het konijn deze informatie opgenomen, iets wat studenten ook graag met hun lesstof zouden doen.

De wetenschap

Maar wat is de wetenschap in dit verhaal? Er is geen studie over leren en ook amper een wetenschapsgebied die de breedheid van het onderwerp eer aan doet. Onderwijskunde en de leerpsychologie zijn waarschijnlijk nog de twee die er het dichtste bij staan. Maar waarom is er dan niet of amper een wetenschapsgebied wat zich bezighoudt met de olie van de wetenschap, het vermogen tot leren? En als die er al is, waarom worden principes die kunnen leiden tot met meer plezier en efficiënter leren dan niet onderwezen aan het grote publiek? Waarom worden zulke bevindingen niet direct toegepast, om zo het leervermogen van een populatie te vergroten, zodat deze enkel sneller en meer informatie op kan nemen? Daar verwonder ik mij mateloos over.

En juist het gebied van het leren in al haar breedheid wil ik graag mijn wetenschapsgebied kunnen noemen. Ik sta te popelen om te onderzoeken hoe het brein het liefste leert. Wat gebeurt in het brein wanneer die leert? Welke factoren bepalen de verwerking en opslag van informatie? Bestaat er überhaupt een natuurlijke manier van leren en hoe ziet die er dan uit? Fundamenteel onderzoek is dan ook waar ik op afsteven met mijn master Cognitive Neuroscience. Maar niet alleen fundamenteel onderzoek in het brein zelf is hiervoor nodig, maar ook op functioneel niveau wil ik mijn kennis graag verder vergroten. Onderzoek naar het effect van aandacht en emotie op leren hebben mijn interesse, in het bijzonder in de context van conditioneren. Alle kennis over leren op functioneel niveau, samen met fundamentele kennis van het brein, kan vervolgens leiden tot een model van het lerende brein. En dan kan er ook bepaald worden hoe een mens het beste leert en het beste onderwezen kan worden.

Maar wetenschap om de wetenschap is niet mijn doel. Waar mijn persoonlijke interesse en toepassing hebben geleid tot mijn passie voor leren in wetenschappelijk perspectief, hoop ik dat de wetenschap die ik uiteindelijk wil bedrijven weer zal leiden tot praktische toepassingen. En praktische toepassingen op vele terreinen, waar ook weer onderzoek voor nodig is.

Een eerste toepassing is het ontwikkelen van nieuwe leermethoden. Want samen met de oude leermethoden die in mij de leerpassie hebben aangewakkerd, kunnen ook de nieuwe leermethoden door middel van de wetenschappelijke methode worden getoetst. Hierbij zal kennis over het brein en conditioneren een belangrijke rol spelen. Kennis over het brein zal vooral een rol spelen in methoden als Mind Mappen, waarbij informatie gepresenteerd wordt op een wijze die, aldus de boeken, natuurlijk aantrekkelijk is voor het brein. Conditioneren kan een rol spelen in lesmethodes, waarbij structurele beloning en straf een rol speelt.

Een tweede toepassing kan zijn het ontwikkelen van nieuwe typen leermateriaal die passen bij hoe het menselijk brein het liefste leert. Dus niet langer leren uit zwart-witte boeken met amper afbeeldingen, maar leren in interactie, bijvoorbeeld door middel van computersoftware. Want, als we een voorbeeld nemen aan het kleine konijntje uit de inleiding, moet je niet alleen leren om te overleven, maar dient iets ook beleefd te worden om het te leren. Beleven in kleuren, geluid en gevoel, waarvoor de computer een uitermate geschikt medium is. Zo kan bijvoorbeeld bij het leren van woorden in een vreemde taal niet alleen het woord in letters worden gepresenteerd, maar ook een afbeelding, de uitspraak, een korte film en mogelijk een hint in geluid en beeld. Zelfs geur zou bij de modaliteiten kunnen horen. Als input zou een gebruiker dan bijvoorbeeld het woord kunnen typen, maar het ook uit kunnen spreken. Afhankelijk van of het antwoord goed of fout is kan er vervolgens conditionerende feedback worden gegeven. Standaard zou het in geluid en kleuren kunnen, majeur en groen voor positief, mineur en rood van negatief, maar in meer progressieve toepassingen zouden ook kleine stroomschokken toegepast kunnen worden. Vanzelfsprekend zou zeker dat laatste goed moeten worden getoetst in de praktijk, alvorens het overwogen kan worden het in de praktijk toe te passen. Maar als het al bewezen werkt in klinische setting en er verschillende soorten spellen op de markt zijn waar er gebruikt wordt gemaakt van stroomschokken, waarom zou het dan niet gebruikt worden voor leren?

Een verwante toepassing is het construeren van lerende computerprogramma's. Want als wij weten hoe de mens leert kan deze kennis ook worden toegepast om computers sneller te laten leren. En niet alleen sneller, maar ook meer gelijkend op het leren van de mens. En aangezien computers uiteindelijk veelal ook zullen moeten leren in dezelfde omgeving als waarin mensen leren zal dit ook het leren van computers versnellen. En dit kan worden gebruikt in bijvoorbeeld robots, maar ook als leermodel in leerprogramma’s zoals hierboven beschreven.

Zodoende zijn er toepassingen van kennis van leren aan zowel de aanbiedende kant, in leerprogramma's, als aan de afnemende kant, in leermethoden, welke samen met effectief lerende computers het lerend vermogen van de mens danig kunnen vergroten. En daarmee is niet alleen de individuele mens, maar ook de wetenschap in zijn geheel gebaat.

Het doel

De wetenschap bedrijven kan je doen om vele redenen, waarvan interesse en verwondering voor mij twee van de belangrijkste zijn. Maar de belangrijkste reden voor mij is uiteindelijk toch om wat bij te dragen aan de maatschappij, aan het nageslacht, om hen te helpen om te gaan met de continu groeiende hoeveelheid kennis. Want waar wij, net als het konijntje, aan het begin van onze evolutionaire loopbaan enkel kennis opdeden door het op het moment zelf te beleven in onze directe omgeving, leren wij nu zowel in plaats als tijd veel meer. Alle kennis die de mens in het verleden waar ook ter wereld heeft opgedaan torsen wij als mensheid met ons mee. Maar niet alleen is de kennis daarmee meer geworden, ook onze band met de kennis is verminderd. De te leren informatie is van een werkelijke, multimodale en kleurrijke beleving gereduceerd tot zwarte-witte slaapverwekkers.

En leren is zoveel meer dan dat. Niet alleen is overleven leren en leven leren, leren is bovenal beleven. Dus niet stof passief opnemen, maar het meemaken in al haar pracht en praal. Letters staan zo ver van de werkelijke beleving verwijderd als maar kan, wat een heuse hindernis is in ons leerproces. Wat mij betreft nemen wij een voorbeeld aan het konijntje en gaan wij ons leren ook beleven. Maar de mens voelt zich niet verbonden met het leervermogen van het konijntje. Dus het is de taak van de wetenschap om de ogen van de mensen te openen, om te laten zien dat leren ook anders kan. En daar hoop ik mijn steentje aan bij te kunnen dragen.

Literatuurverantwoording

Mijn pseudo-wetenschappelijke carrière in het leren begon bij 'Superstudie' van Sheila Ostrander, Lynn Schroeder en Nancy Ostrander, Baarn: De Kern, 1979. Het boek wat hier vrij snel op volgde was Snellezen van Tony Buzan, Bosch & Keuning Uitgevers: Baarn, 1997. Het boek wat mij introduceerde in de methode van het Mindmappen was 'The Mind Map Book' van dezelfde Tony Buzan, Pinguin Books USA Inc.: New York, 1996.

De parallelle wetenschappelijke carriere is vooral gebaseerd op 'Learning: Behavior and Cognition' van David A. Lieberman, Wadsworth/Thomson Learning: Belmont, 2001. De belangrijkste studie die heeft gekeken naar de mogelijkheden van snellezen is de studie van M.A. Just en P.A. Carpenter uit 1987, genaamd 'The psychology of reading and language comprehension', Allyn & Bacon: Newton, MA. De studie die kritisch heeft gekeken naar superstudie en andere methoden is te vinden op http://www-personal.monash.edu.au/~ufelix/thesis.htm en is geschreven door Uschi Felix.